Skip to main content
Skip table of contents

Universele dimmodules

Beschrijving

De universele dimmodule heeft twee kanalen om lichtkringen te dimmen.

Overzicht

A. L’1/N- en L’2/N-schroefklemmenHier sluit je de dimbare belastingen aan.
B. SchuifbrugHiermee verbind je een volgende module waardoor de bus en de voedingsspanning doorgegeven zijn.
C. PotentiometerHiermee stel je manueel de minimale lichtintensiteit in.
D. Knoppen 1-2Hiermee activeer of deactiveer je elke output afzonderlijk. Let erop dat deze activering of deactivering tijdelijk is want dit wordt overschreven bij de eerstvolgende buscommunicatie.
E. N-schroefklemmenHier sluit je de nuldraad aan.
F. L-schroefklemmenHier sluit je de fase van de 230V-netspanning aan.
G. DipswitchesHiermee stel je manueel het type verlichting in dat je wilt dimmen.
H. ADRESS-knop 1Deze knop heeft een dubbele functie. Naast de functie beschreven onder “D” geef je bij het programmeren van de installatie via deze knop het unieke adres van de module door tijdens de adresseringsfase.
I. KANAAL-ledsEén per kanaal. Licht op in TEST-mode als de output geactiveerd is. Als er een kanaalfout optreedt, knippert de led om een foutcode weer te geven. Zie Foutcodes hieronder.
J. STATUS-ledLicht op in TEST-mode als de module correct aangesloten is en goed functioneert. Als er een fout optreedt, knippert de led om een foutcode weer te geven. Zie Foutcodes hieronder

Werking

Het stuursignaal van de controller activeert één of meerdere outputs van de dimmodule. Je kunt de outputs ook manueel activeren of deactiveren met de knoppen op de dimmodule. Let erop dat deze activering of deactivering tijdelijk is want dit wordt overschreven bij de eerstvolgende buscommunicatie.

Na een stroomonderbreking keert de dimmodule terug naar de stand waarin hij stond vóór de stroomonderbreking.

Het type verlichting dat je wilt dimmen, stel je in met de dipswitches vooraan op de module. De minimale lichtintensiteit wordt ingesteld met de potentiometer bij elk kanaal vooraan op de module. Zie Installatie hieronder.

Toegelaten  belastingen

Volgende tabel geeft een overzicht van de maximale belasting per type verlichting bij een omgevingstemperatuur van 45 °C.

*  Maximaal 10 lampen aansluiten.

   Gebruik de dimmodule niet om motoren te regelen.

De dimmer heeft een thermische beveiliging. Als de temperatuur door overbelasting te hoog oploopt, schakelt de dimmer uit. Als dit gebeurt:

  • controleer of de belasting niet te zwaar is. Houd rekening met het blind vermogen van gewikkelde transformatoren.
  • controleer de temperatuur in de schakelkast (maximaal 45 °C).
  • controleer of gemengde belastingen gebruikt worden.
  • controleer of de minimale lichtintensiteit niet te laag ingesteld is.
  • controleer of het juiste type verlichting geselecteerd is

Installatie

Aansluitschema

 

  • Tijdens het opbouwen van de schakelkast mag de installatie niet onder netspanning staan.
  • Neem de geldende AREI-voorschriften in acht bij het bekabelen van de belasting.
  • Bevestig dimmodules bij voorkeur onderaan in de schakelkast, maar niet onder, boven of vlak naast warmtegevoelige elementen zoals de connected controller of een extra voeding.
  • Controleer de temperatuur in de schakelkast. Zorg voor extra ventilatie als de temperatuur hoger oploopt dan 35 °C. Installeer eventueel een ventilator. Zorg voor voldoende afvoer aan de bovenzijde van de schakelkast.

Om de module te installeren:

1    Klik de dimmodule op een DIN-rail.

2    Sluit de L-fasedraad en de N-nuldraad aan op respectievelijk de L- en de N-schroefklem.

3    Sluit de kringen die je wilt dimmen, aan op de outputs.

4    Verbind de dimmodule met de module ervoor. Schuif de schuifbrug van deze module naar rechts tot ze vastklikt in de dimmodule. Hierdoor zijn de bus en de voedingsspanning doorgegeven.

Het type verlichting instellen

Om het type verlichting dat je wilt dimmen manueel in te stellen, zet je de dipswitch in de juiste positie. Gebruik hiervoor volgend schema.

 


(*) Deze lampprofielen zijn uitgerust met een boostfunctie. Dit betekent dat de lamp bij het aanschakelen kort fel zal branden alvorens over te gaan naar het gewenste dimniveau.

Profiel selecteren voor ledlampen

Om het juiste profiel te selecteren voor de geplaatste ledlampen, ga je als volgt te werk:

1    Probeer achtereenvolgens de profielen led 1 en led 2. Als een van deze profielen naar behoren werkt, ga je naar Minimumniveau instellen hieronder.

2    In het andere geval probeer je achtereenvolgens de profielen Gloeilamp of Halogeenlamp met elektronische transformator. Als een van deze profielen naar behoren werkt, hoef je verder niets te doen.

3    In het andere geval wijst dit erop dat de geplaatste ledlampen vrij veel energie nodig hebben om te kunnen opstarten. Kies daarom voor het profiel led 3 of led 4. Deze profielen bevatten immers een boostfunctie die ervoor zorgt dat de lampen bij het aanschakelen genoeg energie krijgen alvorens over te gaan naar het gewenste dimniveau.

We geven hieronder een voorbeeld van de voor- en nadelen van de laatste twee opties:

Profiel

Gloeilamp of halogeenlamp met elektronische transformator

led 3 of led 4

Voordeel

De lamp gaat niet kort fel branden na het aanschakelen

De lamp kan tot op haar minimumniveau gedimd worden

Nadelen

  • De lamp kan niet tot op haar minimumniveau gedimd worden
  • In bepaalde gevallen is het verschil in lichtoutput dat je kan bereiken, beperkt

De lamp gaat kort fel branden na het aanschakelen indien er een lage dimstand gekozen werd


Schakel de dimmer uit en aan na het instellen van het minimumniveau. Brandt de lam niet, selecteer dan een lampprofiel met boostfunctie (CFLi1, CFLi2, led 3 of led 4).

Minimumniveau instellen

Om het (optimale) maximumbereik van elke lamp te behalen, kan het minimumvniveau bijgesteld worden. Gebruik een schroevendraaier om het minimumniveau manueel in te stellen. Draai de potentiometer naar rechts om het niveau te verhogen. Draai naar links om het niveau te verlagen. Raadpleeg volgend schema.

Foutcodes

Als de module normaal functioneert, licht de STATUS-led enkel op in TEST-mode. Als er één of meerdere fouten optreden, gaat hij knipperen om de foutcode weer te geven van de fout met de hoogste prioriteit. Een overzicht van de foutcodes vind je in volgende tabel.


LED

ACTIE

FOUT

MOGELIJKE OORZAKEN

STATUS-led

Knippert met één puls per twee seconden.

Softwarefout

Verkeerde softwareversie.*

*Download de laatste versie van de software op de Niko website en voer een upgrade uit van de module.

KANAAL-led

Knippert met één puls per twee seconden.

Overspanning

De netspanning is niet aangesloten. De belasting is niet aangesloten.

Het aangesloten vermogen is te hoog. De lamp of de gebruikte kabel is defect. De thermische beveiliging is in werking getreden.

Er is geen stuursignaal.

Het minimumniveau is te laag ingesteld. Het lampprofiel is verkeerd.

Een combinatie van bovenvermelde oorzaken.

Knippert met twee pulsen per twee seconden.

Kortsluiting

Knippert met drie pulsen per twee seconden.

Overbelasting

Knippert met vier pulsen per twee seconden.

Oververhitting

Knippert snel.

Modulefout

Technische gegevens

  • ingangsspanning: 230 Vac ± 10 %, 50 Hz
  • omgevingstemperatuur: 0 - 45 °C
  • voor gebruik in een omgeving met een niet-condenserende luchtvochtigheid (30 % - 70 %)
  • dimvermogen per kanaal: 5 - 400 VA (bij 45 °C) of 5 - 500 VA (bij 35 °C)
  • minimale lichtintensiteit en faseaan- of faseafsnijding zijn manueel instelbaar
  • 2 x 4 schroefklemmen voor 3 x 1,5 mm² of 2 x 2,5 mm² of 1 x 4 mm²
  • schuifbrug voor verbinding naar volgende module op DIN-rail
  • conform EN 60669-2-1
  • beveiligd tegen kortsluiting en oververhitting
  • CE-gemarkeerd
  • afmetingen: DIN 4E








JavaScript errors detected

Please note, these errors can depend on your browser setup.

If this problem persists, please contact our support.